
Jurisprudentie
AT5200
Datum uitspraak2005-04-06
Datum gepubliceerd2005-05-09
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/3857 WW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2005-05-09
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/3857 WW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bezwaar is niet gericht het besluit tot de beƫindiging van de WW-uitkering, maar op het ontbreken van de mogelijkheid om rechtens opneembare vakantiedagen met behoud van uitkering binnen een werkloosheidsperiode over meerdere kalenderjaren onderling te kunnen compenseren.
Uitspraak
E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/3857 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant is op bij beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Den Haag onder dagtekening 25 mei 2004 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 03/3869 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 23 februari 2005, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 17 juni 2003 heeft gedaagde appellant meegedeeld dat hij vanaf 9 juni 2003 geen recht meer heeft op uitkering, omdat hij niet langer werkloos is.
Bij besluit op bezwaar van 29 augustus 2003 (het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 juni 2003 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
De bezwaren van appellant zijn gericht tegen het ontbreken van de mogelijkheid om rechtens opneembare vakantiedagen met behoud van uitkering binnen een werkloosheidsperiode over meerdere kalenderjaren onderling te kunnen compenseren. De Raad stelt echter vast dat het besluit van 17 juni 2003 niet ziet op vaststelling van (niet-genoten) vakantiedagen of de nabetaling daarvan doch slechts ziet op de beƫindiging van de WW-uitkering van appellant per 9 juni 2003 in verband met de aanvang van werkzaamheden. Reeds hierom kunnen de door appellant met betrekking tot de (niet-genoten) vakantiedagen aangevoerde bezwaren geen doel treffen en heeft gedaagde deze bij het bestreden besluit terecht ongegrond verklaard.
Gelet op het vorenoverwogene kan het bestreden besluit in stand blijven en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. H.G. Rottier in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 april 2005.
(get.) H.G. Rottier
(get.) P. Boer

